Bristol Cars failliet
De puur Britse auto-industrie is sinds maart 2011 met het faillissement van Bristol Cars, dat 65 jaar lang auto's bouwde in Filton, weer een merk armer. De laatste 2 modellen waren de Fighter en Blenheim, waarvan het bedrijf er circa 20 per jaar compleet met de hand maakte. Door de verouderde technieken daalde de belangstelling voor de peperdure modellen van tussen 150.000 en 250.000 Engelse pond. Overigens is de enige showroom in Londen. Directeur Toby Silverton is ervan overtuigd dat het bedrijf in een andere opzet in de toekomst een doorstart kan maken.
BMW roots
Van origine was Bristol een vliegtuigbouwer, die na de Tweede Wereldoorlog het onderdeel Bristol Cars oprichtte in 1946. De Bristol Aeroplane Company kreeg toen constructietekeningen in handen van nieuwe BMW modellen nadat de fabrieken in München door de Geallieerden waren plat gebombardeerd. Het is dan ook niet verwonderlijk dat het eerste model, de Bristol 400 coach met aluminium koets en smalle niertjes grille, uit 1947 veel leek op de vooroorlogse BMW 327. De motor en het onderstel zijn vrijwel gelijk aan die van de BMW 328. In 1949 volgde de gestroomlijnde en succesvolle 401 met een lichtgewicht aluminium Touring koets over een buizenchassis. De 2 liter 6 cilinder BMW motor leverde 86 pk, wart goed was voor een top van 165 km/u. Daarna verschenen in 1953 de 404 tweezitter en een jaar later de 405 als enige 4-deurs sedan en in 1958 de 406 coach met een BMW 2.2 liter 6 cilinder met 107 pk. Niet alleen Bristol gebruikte BMW motoren, maar ook andere kleine Engelse autofabrikanten, zoals AC, Cooper, Frazer-Nash, Kieft, Lister, Lotus, Tojeiro en Warrior. Het was duidelijk dat de auto's uit de gelijknamige stad vooral voor klanten bedoeld waren die zich een luxe en comfortabele auto konden veroorloven, zoals bijvoorbeeld de peperdure 406 Zagato GT coupé, of een Bristol chassis met opbouw van een andere bekende koetsbouwer.
Chrysler V8's met automaat
Met de 407 coach maakte Bristol in 1961 de overstap naar een Chrysler 5.1 V8 motor met 250 pk, 3 traps automaat voor een top van liefst 200 km/u. Ook de verbeterde 408 en 409 coach uit 1964 en 1966 waren luxueuze klasse modellen die met name voor Amerikaanse klanten bestemd waren. De 410 uit 1967 en de 411 met 340 pk 6.3 V8 uit 1969 waren prima afgewerkt en presteerden uitstekend. In 1975 verscheen als convertible saloon de hoekig gelijnde 412 met een Zagato koets op een platform chassis met een 210 pk 6.6 liter V8 en vanaf 1978 ook een 172 pk sterke 5.9 V8. Als opvolger van de 411 verscheen in 1976 de 603 coupé met een 5.9 of 5.2 V8 en automaat. In 1982 werd dit type opgevolgd door de Brigand en Britannia. In 1994 volgde de Blenheim met een Chrysler V8, waarvan in 2002 ook een Speedster versie verscheen. Samen met de vanaf 1999 gebouwde exotische Fighter sportwagen met vleugeldeuren en een V10 Viper motor die het met 2 turbo's tot een extreme 1.026 pk schopt, zijn dit de 2 huidige Bristol modellen. Wat rest is een lange erelijst van racesuccessen tijdens lange duur wedstrijden in Le Mans en Reims. Bristol werd tot 2001 geleid door de excentrieke voormalige coureur Tony Crook, die wars was van media-aandacht en alleen auto's verkocht aan degenen die hij persoonlijk graag mocht. Dat leidde tot het vast houden aan ouderwetse techniek en vrijwel geen ontwikkelingswerk, waardoor nog slechts een select gezelschap van enthousiastelingen is over gebleven. Wellicht dat een nieuwe geldschieter het exclusieve Britse merk met een andere, meer moderne bedrijfsvoering weer nieuw leven kan en wil inblazen.



















